woensdag 4 oktober 2017

Hoofdstuk 1. Mijn eerste 16 levensjaren.

Ik ben geboren op Singapore in 1942 waarvan geen exacte datum bekend is.
Jaren later vernam ik dat mijn biologische ouders mij achter hebben gelaten.
Dat gebeurde toen de Japanse invasie in mijn land plaatsvond.
Het gebeurde tijdens de 2e wereldoorlog. 
Niemand weet wie mijn biologische ouders zijn,maar ik werd wel door iemand gevonden.
Daarvan weet ik nu dat hij "Poppy" heette en een vriendin had.
Met die vriendin die islamitisch was huurde hij een kamer bij een chinese vrouw.
Die chinese vrouw heette Yeo-Pek-Cheng en was een weduwe met een zoon.
"Poppy" bleek een Europeaan te zijn en wilde terug naar Europa.
Daartoe leverde hij mij af bij die mevrouw Yeo voor $ 300,00.
Ik was toen 3 jaar en ziek vanwege de wormen in mijn buik.
Mevrouw Yeo betaalde $ 200,00 aan de dokter om mij te genezen.  
Zij sloeg mij veel,was ook veel dronken en vergokte haar inkomen.
Met haar zoon,zijzelf en ik woonden wij in een Boedhistentempel.
Die zoon heette Tan-Peng-Yam en had een kapotte lip.
Hij sprak onverstaanbaar voor anderen. Ik kon met hem begrijpen en met hem praten.
Wij woonden in die tempel aan de Franckel-Avenue 251.
Toen ik 16 jaar was in 1958,vluchtte ik weg van huis,want mevrouw Yeo werd boos.
Ik had het eten niet op tijd klaar na haar Boedhistische gebeden.
Zij had mij daarvoor de opdracht gegeven. Dit gebeurde om 18.00 uur in de avond.
Zij stuurde mij weg en ik liep langzaam het hek uit.
Eèn van haar huurders hield het hek open en Tan wed woedend toen ik langzaam wegliep.
Hij zat mij achterna op zijn fiets.  
In zijn hand had hij een kleine metalen schop om mij te slaan. 
Ik rende toen weg op blote voeten naar een klein bosje naast een begraafplaats.
Dat maakte Tan bang,want hij sacht dat hij spoken zag. Ik wist dat hij daar bang van was.
In dat bosje wachtte ik totdat alles rustig was en sliep.
Daarna stond ik op en zag de maan.Alles zag er helder uit met de brandende straatlampen.
Ik liep naar een open vrachtauto. 

Die stond bij een grote boom in de nabiijheid van een klein Boedhistenhuisje.
Op die open vrachtauto heb ik een poosje geslapen.
Dat deed ik totdat ik hoorde dat menden wakker werden.
Ik stond op en liep naar huis,maar niet echt,want ik liep naar een klein gebouwtje.
Dat werd door mevrouw Yeo verhuurd aan een broodverkoper.
Hij sloeg die broden op om vroeg in de ochtend 5.00 uur dit huis aan huis te verkopen.
Hij bracht mij naar 1 van zijn klanten.

Ik kon immers niet meer terug naar mevrouw Yeo en haar zoon Tan.
Die klant was een Portugees van afkomst. Hij was gehuwd en had 2 kinderen.
Hij was Leger-ambtenaar en sprak Engels,terwijl ik maleis sprak.
Ook de broodverkoper die een chinees of Vietnamees was sprak maleis.
Zelf behoorde ik tot hen die het dialect Chew-Chew sprak.
                                                                                          


                                                                                                                                               

2 opmerkingen:

  1. Heb jij een broer die Wim heette?
    Woonde jij in de Muzenstraat?
    Was jouw moeder niet Sjaan Doove?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Inderdaad heb ik een broer die Wim heet en een broer die Fred heet.Inderdaad woonde ik in de Muzenstraat.
      Mijn moeder was inderdaad Adriana (Sjaan) Doove-Jillissen. Meer staat op de blog bij Jouwweb.nl
      Dat is uitgebreider.
      De titel daar heet: "Levenservaringen van Anna en Anton Doove" Dat begint met de ervaringen van Anna op Singapore.
      Zij verwijst aan het eind met een link knop nnaar mijn deel van de blog: "Haagse Ervaringen 1939-1983".
      Dit deel gaat door tot in Zoetermeer en daarin wordt ook over Anna verteld. Dit eindigt ook met een link knop.
      Zo kom je terug op de ervarinngen van Anna op Singapore. Beide blogdelen kunnen zo ee totaalbeeld vormen.
      Ik hoop dat ik nu een betere toelichting heb gegeven en ik groet u vriendelijk. Anton Doove.

      Verwijderen